Verkleinen Vergroten  
 
  start » verleden van de polders » artikel  
 

Verleden van de polders

zoeken:
 
     
 

 •  Welkom

 •  Nieuws

 •  De EGD&P?

 •  Ontdek het erfgoed

 •  Steun ons!

 •  Contact

 •  Veelgestelde vragen

 English page

 

BREAKING NEWS: PROCES TEGEN RUBENS IN DOEL

Geplaatst door EGDP op 18-03-2011

In 1621 voerde de ingelande Jan Arnouts proces tegen Rubens. Eén document hebben we waar er sprake is van “Pedro Paulo Rubbens (sic), rentier exercerende de conste van schilderen…”

PROLOOG: PETER PAUL, DE POTVIS
1577 is het geboortejaar van Peter Paul Rubens. 1577 is ook het jaar van de potvis van Doel. Een beroemde potvis. Ontelbare keren weergegeven op gravures en tekeningen, want het was het eerste exemplaar van deze ‘zeemonsters’ dat getekend werd naar het leven, zonder monstruositeiten.

Een van de afbeeldingen is een houtgravure uit een Nürnbergse éénbladdruk rond 1577. Bij de prent hoort een tekst. Deze merkwaardige tekst luidt in vertaling : “Deze walvis, zoals hier geconterfeit, waarvan er drie door de woeste zee op de tweede dag van juli, vijf mijl voor Antwerpen, uitgeworpen werden. De ene is in de Schelde bij Vlissingen, de andere bij Saeftinghe en de derde bij haftinge aan Den Doel gevangen. Deze walvissen zijn donkerblauw van kleur en elk heeft één groot neusgat, waaruit hij water spuit. Ze meten elk 58 voet lang en 16 voet hoog, van het oog tot aan de muil 16 voet. Hierin staan op elke kant 25 tanden en boven in de muil evenveel gaten, waarin de tanden zich sluiten en de staart van elke walvis is 14 voet breed. Deze vissen zijn verschrikkelijk en wonder om zien gewest. Moge God de betekenis ervan ten beste keren.”

Het is deze walvis – een replica weliswaar - die tot op de dag van vandaag in Antwerpen wordt rondgedragen.

RUBENS IN DOEL
“… Moge God de betekenis ervan ten beste keren…”

Rubens en de potvis van Doel... Wat hebben die met elkaar te maken behalve dat de ene in 1577 geboren werd en de andere er in stierf… Wel, niet alleen deze potvis, ook Rubens ‘spoelde aan’ in Doel. Jawel Rubens was blijkbaar een halve Doelenaar. Hij bezat er gronden en ook zijn schoonvader Jan Brant, zijn kinderen en kleinkinderen hadden eigendommen in Doel.

WAT KWAMEN BRANT EN RUBENS DOEN IN DOEL?
Je moet weten : de Tachtigjarige oorlog, de oorlog tussen de Nederlanden en Spanje was nog bezig. De Tachtigjarige Oorlog : de dijken doorgestoken, de Schelde afgesloten…

De Nederlanden zijn verdeeld. Het noorden heeft het Spaanse juk kunnen afwerpen. Het zuiden probeert zich te handhaven in de draaikolk van de gebeurtenissen. Antwerpen is haar status van wereldhaven kwijt. De Staatsen blokkeren de Schelde met tolschepen en forten. Lillo en Liefkenshoek zijn in Hollandse handen.

De rijke Antwerpse burgerij was noodgedwongen op zoek naar nieuwe inkomsten en belegde in de herinpoldering van de ‘verdronken landen’ ten noorden van de stad. In 1614 herdijkte men de eerste polder, die van Doel.

WAAROM WERD DOEL ALS EERSTE POLDER HERINGEDIJKT?
In het octrooi (een officiële toelating) staat uitdrukkelijk : “… de gaeten ende geulen [in de overstroomde landen] sullen commen te veroirsaeken , dat die vol platen ende voor groote schepen innavigabel woorden sal, tot bederffenisse derselver riviere ende ruyne onser stadt van Antwerpen …”

Antwerpen had Doel nodig toen! Het geheugen is kort…

EILAND IN DE STROOM
Doel was sinds mensenheugenis een eiland. De eerste bekende naam ‘De Doolen’ verwijst naar ‘greppel’, ‘grensgreppel’ en ‘grenswater’. De meervoudsvorm duidt op een geheel van eilandjes. Dat zie je ook op de reproductie van de eerste kaart van Doel (Scheldekaart van 1468, bewaard in het Rijksarchief te Brussel). Herhaaldelijk heeft men getracht dit gebied in te polderen, maar dat vlotte niet altijd. Tot de 18de eeuw was Doel een eiland temidden van ondergelopen land en zelfs op de dag van vandaag heeft men ten noorden van Doel ‘het Verdronken Land van Saeftinghe’.
En Doelenaars hebben nog steeds die eilandmentaliteit. Nieuwe inwoners worden nog steeds ‘aangespoelden’ genoemd.

‘T EYLANDT DEN DOEL : FISCAAL, RELIGIEUS EN POLITIEK BUITENBEENTJE
Doelpolder was een merkwaardig geheel. Eens ingepolderd vormde het een eiland tussen de stroom en de verdronken landen van Saeftinghe, Kieldrecht, Melsele en Kallo. Boten konden in cirkeltjes rond haar varen.

Maar niet alleen geografisch was Doel een eiland. Fiscaal was Doel een belastingsparadijs : omwille van het risico hoefden de ingelanden – de grondeigenaars, de mensen die de opdracht tot inpoldering hadden gegeven – geen belasting te betalen.

Ook op politiek en godsdienstig gebied was Doel een uniek geval. Het Fort van Liefkenshoek aan de zuidergrens beheerste de hele omgeving. Dat had verstrekkende gevolgen. Het fort was in Hollandse handen tot ver in de 18de eeuw en was meer dan eens het middelpunt van getrouwtrek tussen de rivaliserende machthebbers.

PROTESTANTEN EN KATHOLIEKEN, DIJKENBOUWERS EN BOEREN, SPIONNEN EN SOLDATEN, RUBENS, BRANT …. AANGESPOELDE WEELDE EN MISERIE
Niet zo in het begin van de 17de eeuw : het twaalfjarig bestand tussen Spanje en de Staatse Nederlanden maakte het indijken van Doelpolder mogelijk. Terwijl Liefkenshoek onder staats bewind bleef liet het zich gewillig omsingelen door de ‘‘nieuwe landen’ - zoals Doel ook wel eens werd genoemd - die officieel deel uitmaakten van het Spaanse wereldrijk.

De situatie was evenwel nog verwarrender. Terwijl de meeste boeren en landeigenaars katholiek waren - veel Antwerpse rijke burgerij, waaronder Rubens en Brant - was de meerderheid van de inwoners van Doeldorp protestants (verhouding 100/300). Vanuit Zeeland en Brabant waren zij aangespoeld om de indijkingswerken uit te voeren. Vandaar dat het stratenplan volgens een Nederlands dambordpatroon waren aangelegd, uniek voor Vlaanderen.

Middenin de oorlog tussen het katholieke Spanje en het protestantse Nederland was er een eilandje van godsdienstvrede. Deze situatie was ook bij wet geregeld : ‘de conditie van neutraliteyt’ verklaarde de godsdienstuitoefening in Doel en Liefkenshoek vrij. Doel werd niet voor niets – zelfs in die tijd – ‘t eylandt genaamd.

1621, OORLOGSSTORM Over ‘ T EYLANDT ‘
Zoals elk eiland was ook Doel onderhevig aan de grillen van haar omgeving. Wanneer in 1621 de vredelievende Aartshertog Albrecht kinderloos stierf, verstrakte Spanje haar greep op de zuidelijke Nederlanden. Twaalf jaar had de vrede geduurd. Het was een tijd geweest van voorspoed, ook voor Doel, maar dat veranderde, ook voor Doel.

In 1621 overviel het Nederlandse garnizoen van het fort van Liefkenshoek talrijke boerderijen en verjoeg de meestal katholieke boeren van hun grond en van het eiland. Katholieke priesters werd het moeilijk gemaakt naar Doel te gaan. Jaren lang ziet Doel geen enkele priester opduiken.
Ondertussen zat de pastoor van Verrebroek te bibberen in de toren van zijn kerk en liep de kerk van Kallo onder water bij elk springtij.

Meier de Witte van Doel en zijn schepenen waren protestanten en de griffier Cornelis van Alsen bleek een spion van de Staatsen te zijn. Wat een soep!

PROCES TEGEN RUBENS
Op dat moment voerde de ingelande Jan Arnouts proces tegen Rubens. Eén document hebben we waar er sprake is van “Pedro Paulo Rubbens (sic), rentier exercerende de conste van schilderen…”

Dit komt uit een genachtenboek uit 1621, dat bewaard wordt in het Rijksarchief van Beveren. Een genachtenboek is een gerechtsboek dat de voortgang van het proces kort weergeeft. Niet de inhoud, maar de vormelijkheden.

Uit dit document blijkt dat Pedro Paulo Rub(b)ens gedaagd wordt door Arnouts, maar dat hij ‘verstecken’ laat. Hij is dus niet komen opdagen, maar er wordt als nog gevraagd dat hij ‘domicilie in loco’ neemt. Dit is een adres waar de stukken die voor hem bestemd zijn toekomen…?

ZO HAD HET GEWEEST KUNNEN ZIJN
Jan Arnouts, Jan Brandt en dijkgraaf Cornelis Jansen - enkele ingelanden, dus grondbezitters - verzamelen aan de deur van het Hooghuis, het huis van het Polderbestuur, en bepraten de toestand : « De twaalfjarige vrede is afgelopen. Enkele weken terug heeft het garnizoen van Liefkenshoek enkele boerderijen overvallen en heeft onze pachters verjaagd. Wat gaan we daar aan doen ? Opgelet ! Daar komen Meier De Witte en zijn Schepenen. ‘t Zijn ketters en protestanten en Cornelis van Alsen, de griffier, is er ook bij! ‘t wordt gezeid dat hij ne spion is! »

Meier De Witte, de Schepenen en griffier Cornelis van Alsen groeten de ingelanden. De griffier vraagt Jan Brandt en Jan Arnouts naar de rechtzaak tussen Rubens en Arnouts : « Geachte Heren Ingelanden, komt Rubens nu persoonlijk of stuurt hij zijn zaakgelastige? Waar gaat hij domicilie in loco aanvragen? Is hij nog steeds in Spanje? »

Jan Brandt antwoordt dat Rubens bij hem domicilie in loco aanvraagt: « Laat de stukken maar toekomen bij mij! En of hij zelf komt of zich laat vertegenwoordigen? Mijn schoonzoon wil zich nog even beraden gezien de recente gebeurtenissen in Doel. Jullie vrienden van het Fort gaan ons hier niet verjagen. Niet alleen de pachters zijn verjaagd, zelfs de mannen van het geloof mogen niet meer binnen in Doel. En ondertussen zit de pastoor van Verrebroek te bibberen in de toren van zijn kerk en loopt de kerk van Kallo onder water bij elk springtij ! Zie dat dat eerst in orde komt. De conditie van neutraliteyt is geschonden! »

Er ontstaat wat heibel. De meier en schepenen zeggen dat ze geen affaire hebben met de gouverneur van het Fort en dat ze zijn aktie betreuren, maar dat het allemaal begonnen is met de Spanjaard die hen heeft komen bezetten.

Brandt en Arnouts roepen dat dat geen taal is voor wetsdienaars: « Laten we ons door zo’n mensen besturen! »

De dijkgraaf komt er tussen en maant tot kalmte: « Laat ons niet opjutten. Als we zo verder doen staat onze polder binnen de kortste keren terug onder water zoals in 1583 toen ze de dijken doorstaken! En waar staan we dan? »

Jan Brandt komt er tussen en zegt: « U hebt gelijk, Cornelis. Zoals ik het mijn schoonzoon Peter Paul Rubens daarjuist nog heb horen zeggen : ‘Het zou beter zijn dat die kleine gastjes, waarop thans het lot van de christenheid berust, elkaar verstonden en vrienden werden.’ »

« Zo, zo », zegt de griffier : « Heeft Rubens dat allemaal gezegd en daarjuist nog ? ! Tiens tiens »

Een aantal woedende pachters die verdreven zijn van hun boerderijen, waaronder ook Jan Verstraeten, pachter van Rubens, komen woedend aangelopen. De ingelanden vluchten naar binnen en de hellebaardier posteert zich voor de deur. Jan Verstraeten roept luid: « Waar is Rubens! Ik wil mijn heer spreken ! »

EPILOOG
Ja, waar is Rubens… Pedro Paulo Rubbens, zoals hij in de notulen van het genachtenboek en het ferieboek van Doel steeds werd genoemd met dubbele ‘b’?
We weten het niet, nog niet. We blijven zoeken naar de waarheid. Heeft Rubens hier gelogeerd, Heeft zijn schoonvader Jan Brandt het Hooghuis in eigendom gehad? Waarom zijn er zoveel kinderen, kleinkinderen en zelfs achterkleinkinderen van Rubens ingelanden – grondeigenaars – geweest hier? Hier wonen toch alleen maar stomme boerkes.

PS: Hier onder zie je een foto van de misdadige afbraak van de Rubensschuur in 2005. Deze schuur maakte deel uit van een jonger - en tevens zeer waardevol - geheel en is ook bekend onder de naam 'Polderboerenkathedraal'. De schuur bevond zich op land dat toebehoorde aan Jan Brant.

aanraden :: reacties 0

 

 

 
         
ontwerp & ontwikkeling: www.stipdc.com